israelnieuws israelnieuws
 
  • Bas Belder

“Wij veroordelen u hierbij tot de dood, in naam van de gerechtigheid en van het Joodse volk”


Achim Doerfer. Screenshot YouTube


“Irgendjemand musste die Täter ja bestrafen” (Iemand moest de daders toch bestraffen). Onder deze titel heeft de Duitse jurist Achim Doerfer een opmerkelijk, ja fascinerend boek gepubliceerd over “de wraak van Joden, het falen van de Duitse justitie na 1945 en het sprookje van de Duits-Joodse verzoening”. Bas Belder heeft het gelezen en beschrijft het hier.


Vanaf 2016 heeft Doerfer, bestuurslid van de Joodse gemeente in de bekende universiteitsstad Göttingen, aan dit boek gewerkt. Wat dreef hem tot deze jarenlange inspanning?


Wel, als nakomeling van Shoah-overlevenden (zoon en kleinzoon) begrijpt hij dat ze na de oorlog verder moesten na alle doorstane leed. En wellicht was de onderdrukking van het onbegrijpelijke, het onverklaarbare de enig begaanbare weg.


Echter toch, waarom zwegen ze over hun gevoelens jegens de daders en de veel talrijkere meelopers? Koesterden zij dan geen wraak- en haatgevoelens? Dat zou toch normaal zijn geweest! Wat voelden zij tussen al de daders die er heelhuids vanaf waren gekomen?


“Ik hoorde er geen woord over”, vat Doerfer samen. “Intelligente mensen, die genuanceerd dachten, reflecteerden, belezen, bestudeerde mensen die diverse talen spraken, maar die exact op dit punt –hun ervaringen tijdens de donkerste jaren 1938-1945- ergens vlak, mat en bleek bleven in hun gevoelswereld.”


Wie de vraag naar wraak en haatgevoelens niet stelt, kan niet tot de kern van de ervaringen van Shoah-slachtoffers doordringen, stelt de auteur. Precies deze prangende vraag zette hem aan tot onderzoek en het schrijven van “Iemand moest toch de daders bestraffen”.


Achim Doerfer herkent zich in wat de auteur en regisseur Tobias Ginsburg vertelt over zijn schooltijd: “In de zesde of zevende klas moet het geweest zijn dat een klasgenoot mij vroeg waarom wij Joden ons toen niet tegen de nazi’s hadden verdedigd. Die medescholier vroeg mij dat uit eerlijke nieuwsgierigheid, slechts met een tikkeltje verachting voor dat vreemde, levensmoede volk dat zich vrijwillig liet vergassen. Ik had geen antwoord paraat.”


Dat zou mij ook zo zijn overkomen, reageert Doerfer: “Mij heeft ook nooit iemand iets in de richting van een antwoord op deze vraag gegeven.”


Zwijgen tegen beter weten in, vervolgt Doerfer. “Daarbij zouden wij eigenlijk gemakkelijk kunnen weten dat de vervolgden en verdrevenen verzet hebben gepleegd. Zij hebben zich geweerd en soms zelfs gewroken.”


Hoe die Joodse wraakneming voor Duitse oorlogsmisdaden bijvoorbeeld gebeurde, beschrijft Doerfer op beklemmende wijze reeds in de proloog van zijn boek.


Hij voert daarbij vier Joodse soldaten op. Hun operatiegebied is Noord-Italië. Zij dienen bij de Joodse Brigade van het Britse leger. Maar voor deze speciale missie hebben ze hun officiële uniformen met de Magen David omgewisseld voor tenues die hun Joodse identiteit verbergen.


Samengeperst in een kleine jeep begeven zij zich op weg. Hun lichaamstaal en levendige conversatie doet eerder aan een uitstapje denken dan aan soldaten en onderofficieren gereed voor een dodelijke wraakoefening.


Echter, zij zijn de laatste maanden geconfronteerd met de verhalen en beelden van de verschrikkingen van de Shoa. Naast rouw is bij hen de behoefte naar wraak en vergelding opgekomen – voor hun zielsrust en ter afschrikking voor alle tijden. Sindsdien speuren zij overal naar de daders, houden daarbij ogen en oren open.


Na een half uur rijden bereiken de mannen een onopvallend huis aan de rand van een klein dorp. De gesprekken in de jeep verstommen.


Vastberaden springen ze uit de jeep. Eén van hen klopt op de oude houten deur. Kort daarop verschijnt een vrouw met een krans van gevlochten blonde haren om het hoofd in de deuropening. Haar kleding oogt te stads voor deze boerenomgeving.


“Is dit het huis van SS-Obersturmführer G.?” De vrouw is te verrast om te liegen. Ze knikt en nog voordat ze haar mond kan opendoen, zijn de vier mannen al het huis binnengedrongen. Ze hoeven niet lang te zoeken om hem te vinden waarnaar ze al maanden speuren. Hij zit gewoon aan de keukentafel.


De Joodse soldaten delen G. mee dat ze hem voor een verhoor komen ophalen. G. verzet zich niet. Ze brengen hem naar de jeep en klemmen de SS’er op de achterbank tussen zich in. Na een korte rit bereiken ze de bosrand. Ze sleuren G. het kreupelhout in, precies zover dat de bomen het zicht van passerende wandelaars of boeren op het ultieme moment van de berechting van G. ontnemen.


Twee soldaten stoten G. op de knieën en stappen naar achteren. Samen met een derde soldaat schermen ze de scène met getrokken wapens af. De vierde Joodse soldaat komt naar voren, haalt uit zijn jack een blad papier, ontvouwt dat met plechtige ernst en leest voor: “U bent Josef G., klopt dat?” De SS’er op de grond knikt, volkomen sprakeloos. “U hebt de Einsatzgruppenaktion in R., Wit-Rusland, in mei 1943 geleid?” Weer volgt een knik. “U en uw manschappen hebben meer dan 3.000 Joodse vrouwen, mannen, kinderen en grijsaards doodgeschoten, verbrand en doodgeslagen?”


Nu houdt G. zich niet meer stom: “Ik heb slechts het bevel van de Führer uitgevoerd. Het was een puur militaire actie. En met een beetje trots in zijn stem voegt hij daaraan toe: “Duitsland moest zich tegen de bolsjewisten weren. Wij hebben ons militair onberispelijk gedragen.”


De vier geüniformeerden wisselen een onderlinge blik. En G. wordt zich ineens bewust dat hij niet enige willekeurige soldaten voor zich heeft, maar Joodse aanklagers. Zijn door de jaren heen zo vanzelfsprekende nazi-arrogantie lost zich plotseling in het niets op. “Heb medelijden met mijn vrouw en kinderen!”, waagt hij in doodsnood een laatste poging.


Het gezicht van de aanklager vertrekt: “Wij veroordelen je hiermee tot de dood, in naam van de gerechtigheid en van het Joodse volk.” Als G. nog een keer de mond open wil doen om iets terug te zeggen, klinken al de eerste schoten. Levenloos zakt het lichaam van de SS-moordenaar ineen.


De details van deze afrekening met SS-Obersturmführer/massamoordenaar G. zijn rechtstreeks afkomstig van de betrokken Joodse militairen. Enkelen van hen bekleedden later hoge posities in het Israëlische leger.


Doerfer commentarieert: “Het zijn scènes van een bloedige afrekening, ook al zijn die zoveel mogelijk aan rechtsvormen georiënteerd.” Hij vervolgt dat zulke scènes niet passen in de Duitse herdenkingscultuur. Wellicht spreekt dat eerder tegen deze herdenkingscultuur dan tegen de toenmalige actoren. “Want ja, er was woede en haat, wraak en vergelding. Dat deze in de herdenkingscultuur geen plaats hebben, is verbazingwekkend. En niet in de laatste plaats een reden waarom ik dit boek heb geschreven.”


Bas Belder, historicus

















































177 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven
 
israelnieuws