top of page
  • Bas Belder

Herken Jodenhaat: een verdediging van de IHRA-definitie


Historicus en socioloog Günther Jikeli. Foto Indiana University


“Wie Israël voor de ene of andere politiek wil kritiseren, kan dat altijd doen. Kritiek is geen antisemitisme. Wie Israël of het Joodse volk demoniseert of belastert, moet zich minstens de beschuldiging van antisemitisme laten welgevallen.”


Met deze conclusie sluit historicus en socioloog Günther Jikeli (Indiana University/VS) zijn frisse, heldere analyse van de bekende IHRA-werkdefinitie van het verschijnsel antisemitisme af. Jikeli’s onderzoek verscheen zojuist bij het onvolprezen centrum voor antisemitisme en racismestudies in Aken onder de titel “Een verdediging van de IHRA-definitie”.


Op 26 mei 2016 keurden meer dan 30 landen, officieel verenigd in de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), een niet-bindende werkdefinitie van antisemitisme goed. Dat gebeurde in samenwerking met vooraanstaande Joodse organisaties in Europa en de VS. Sindsdien hebben vele regeringen en organisaties aangegeven de werkdefinitie te willen hanteren. Zij kan ook rekenen op de ondersteuning van Joodse gemeenten en verenigingen wereldwijd. Bovendien gaf de Europese Commissie in 2021 een handboek uit voor het praktisch gebruik van de antisemitismedefinitie.


Tegen deze achtergrond doet de controverse over de IHRA-definitie verbazingwekkend aan, brengt antisemitisme-expert Jikeli in. Althans op het eerste gezicht, voegt hij daar direct aan toe. Zijn vraag luidt derhalve: “Waarom heerst er sinds enkele jaren verzet tegen deze definitie, in het bijzonder in activistische en academische kringen?”


Dat kan moeilijk aan de werkdefinitie van antisemitisme liggen, die de IHRA hanteert, constateert Jikeli in eerste instantie. Wat is er immers controvers aan de tekst: “Antisemitisme is een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Verbale en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom alsmede tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.”?


Nee, de pijn zit hem voor de critici in de praktische voorbeelden die de IHRA-definitie vervolgens geeft van alledaags antisemitisme. Van de elf opgevoerde voorbeelden zijn dat met name de laatste zes, die samenhangen met de stichting van de staat Israël. Kortom, de eigentijdse Jodenhaat die zich op de Joodse staat projecteert en ontlaadt.


Expert Jikeli billijkt overigens deze uitwerking van de IHRA-definitie geheel: “Een definitie van hedendaags antisemitisme zou onvolledig zijn wanneer zij niet op deze nieuwe vormen van Jodenhaat zou ingaan. Deze voorbeelden werden juist daarom toegevoegd omdat vele aanvallen op Jodinnen en Joden in Europa sinds het begin van de 21e eeuw in deze vormen plaatsvonden.”


De historicus staat eerst stil bij het zesde voorbeeld van antisemitisme: de beschuldiging aan het Joodse adres zich loyaler op te stellen tegenover Israël of vermeende wereldwijde Joodse belangen dan tegenover de landen waar zij leven. Een aanklacht met een duister verleden: zie de beruchte Dreyfus-affaire in Frankrijk eind 19e eeuw of de beschuldiging tegen Duitse Joden als dé verantwoordelijken voor de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. Dat sluit overigens uitzonderingen van illoyaal gedrag in individuele Joodse gevallen niet uit, vult Jikeli aan. Daarom benadrukt de IHRA-definitie dan ook de gehele context van afzonderlijke gevallen in ogenschouw te nemen.


Meer aangevochten nog zijn de twee volgende voorbeelden uit de IHRA-definitie. Zij luiden: “Het Joodse volk het recht op zelfbeschikking te ontzeggen, bijvoorbeeld door te beweren dat het bestaan van de staat Israël een racistische onderneming is” en “Het meten met twee maten, in die zin dat van de staat Israël een gedrag wordt geëist dat niet van geen ander democratische staat wordt verwacht of verlangd”.


In dit laatste voorbeeld gaat het dus om het hanteren van een dubbele standaard tegenover de Joodse staat. Dat vereist een hoge mate aan contextualisering en ligt het moeilijkst, meent Jikeli. Gelet op de gebruikelijke dubbele moraal tegen Israël in VN-verband klinkt deze argumentatie niet bijster overtuigend. Daarenboven stelt de IHRA-definitie klip en klaar dat “kritiek op Israël die vergelijkbaar is met die op andere landen, niet als antisemitisch kan worden beschouwd”.


Met de ontzegging van het Joodse recht op nationale zelfbeschikking is de Amerikaanse hoogleraar sneller klaar. “Het zelfbeschikkingsrecht is een grondprincipe van het moderne volkenrecht. Waarom zou uitgerekend het Joodse volk dit recht worden onthouden? Daar komt bij dat de Joodse staat nu sedert enige generaties bestaat, met intussen 9,3 miljoen staatsburgers., waarvan meer dan 7 miljoen Jodinnen en Joden, bijna de helft van de Jodinnen en Joden wereldwijd. Alle staatsburgers, in het bijzonder de Joodse, zouden bij een beëindiging van de Joodse staat onder de huidige krachtsverhoudingen aan het gevaar van verdrijving, moord en genocide zijn blootgesteld.”


De IHRA-definitie zegt niet anders dan dat een oproep tot vernietiging van de Joodse staat of diens demonisering respectievelijk delegitimering op antisemitische beweegredenen moet worden getoetst, onderstreept Jikeli.


Hij kan zich ook geheel vinden in het voorbeeld van de IHRA-definitie om de toepassing van symbolen en beelden uit het traditionele antisemitisme (bloedsprookje/beschuldiging van de moord op Christus) op Israël en Israëli’s als Jodenhaat te bestempelen. Jikeli had wel graag meer voorbeelden teruggezien in de definitie, bijvoorbeeld de sterotiepe antisemitische beschuldiging van de wraakzucht van Jodinnen en Joden.


Het IHRA-voorbeeld van de vergelijking tussen de actuele Israëlische politiek met het beleid van de nazi’s behoeft qua afgronddiepe Jodenhaat geen verder betoog.


Het laatste IHRA-voorbeeld van huidige Jodenhaat (“Het collectief verantwoordelijk stellen van Jodinnen en Joden voor de handelingen van de staat Israël”) acht Jikeli evenmin controvers. “Mensen voor iets verantwoordelijk houden, waarop zij geen invloed hebben, is een goede indicatie van mogelijke ressentimenten”, oordeelt hij.

Als leidraad, oriëntatiehulp voor de herkenning van Jodenhaat acht Günther Jikeli de IHRA-definitie absoluut bruikbaar, evenzeer voor de rechterlijke macht!


Op overtuigende wijze pareert hij tegelijkertijd de kritiek dat de definitie tot ontoelaatbare censuur zou leiden op hogescholen en in de kunsten. “Als bijvoorbeeld racistische, sexistische en juist ook antisemitische uitingen in een universitaire context als onaanvaardbaar worden gezien, zijn definities veeleer behulpzaam. Talrijke berichten tonen aan dat Joodse studenten en scholieren zich uit angst voor aanvallen gedwongen zien hun Joodse identiteit te verbergen. Zij worden vijandig bejegend omdat ze verdacht worden sympathie voor Israël te koesteren. Israël, dat in de ogen van veel docenten en medestudenten van meetaf aan een kwaadaardige staat is.”


Op dit punt in zijn betoog belicht Jikeli de essentiële existentiële band tussen de Joodse diaspora en het land Israël: “Afgezien van het feit dat Jodinnen en Joden in de diaspora niet verantwoordelijk gemaakt kunnen worden voor de politiek van Israël, maakt een in principe positieve betrekking op het land Israël voor de allermeeste Jodinnen en Joden echter ook deel uit van hun Joodse identiteit. Alleen al een blik in de Bijbel, in de traditionele Joodse gebeden en in de geschiedenis van het Joodse volk moeten volstaan om de vraag te beantwoorden waarom deze nauwe verbondenheid met Israël bestaat. Daarbij komen de vele persoonlijke banden met Israëlische familieleden en kennissen.”


Vergeet evenmin de Joodse ervaring van de Shoah, zo vervolgt Jikeli. “In geval van twijfel zullen alle andere staten Jodinnen en Joden niet beschermen, terwijl Israël sinds zijn stichting Jodinnen en Joden in de diaspora als toevluchtsoord voor vervolging dient.”


De IHRA-definitie spreekt duidelijk het antisemitische karakter van antizionistische, anti-Israëlische uitingen aan. Geen wonder dus dat “degenen die volgens deze definitie onder verdenking geraken antisemitisch te zijn, exact deze definitie afwijzen”, is de logische slotsom van Jikeli.


De antisemitisme-onderzoeker plaatst daarbij geheel terecht een groot, ontkennend vraagteken bij de publieke financiering van (kunst)podia voor antisemieten. Waarvan akte, Europawijd!


Bas Belder, historicus


145 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page