• Joop Soesan

Joden in het verzet - “Helden? Heldinnen"?


Joodse verzetsstrijders. Foto Wikipedia commons


Het eerste deel van een serie van drie over het verzet van Joden in Nederland 1940-1945 door historicus Bas Belder, met de bevindingen van professor dr. J. Presser.


Hebben Joden in Nederland tijdens de Duitse bezetting verzet gepleegd? Nou en of! Ruim vijftig jaar geleden al zette prof. dr. J. Presser dat op basis van eigen historisch onderzoek feitelijk en gedetailleerd uiteen.


Recente publicaties bevestigen zijn beeld en vullen dat op sprekende wijze aan. We starten het eerste deel van een serie van drie over het verzet van Joden in Nederland 1940-1945 met de bevindingen van Presser.


Voorop, zo schrijft Presser, een paar feiten: de eerste, die in Nederland voor een Duits vuurpeloton kwam te staan wegens gepleegd verzet, was een Joodse vluchteling uit Duitsland; de tweede een Joodse werkman wegens zijn verzetspropaganda tijdens de Amsterdamse Februaristaking van 1941.


Deze feiten geven aan dat de Joden in het Nederlands verzet tijdens de oorlogsjaren in elk geval een rol hebben gespeeld én dat onder Joden niet alleen Nederlandse Joden moet worden verstaan, maar ook Duitse en Joden uit andere landen.


Wellicht is dat een verrassing voor menige lezer, waagt Presser te veronderstellen: “Het is immers wel zo, dat men van dit verzet van Joden in Nederland in het algemeen weinig weet, ook onder Joden.” Zou dat vandaag de dag ook nog gelden? Aan de nieuwe boeiende publicaties van vorig en dit jaar (de bundel “Gezichten van Joods verzet”/veertig schetsen en “Geen makke schapen” van Martijn Katan) zal dat niet liggen. Aan deze twee boeken wijden we bijdrage twee en drie van deze serie.


Snel terug naar het onderzoek van Presser. Op grond daarvan poneert hij twee stellingen. De eerste luidt: Het verzet van Joden in Nederland is door de Duitsers evenzeer overschat als door de Nederlanders onderschat.


Inderdaad door de Duitsers overschat, want die zagen de Jood ‘overal’. Achter elke actie, elke sabotagedaad, elke aanslag zat de Jood. Ja, in feite was de Jood debet aan de gehele oorlog. Die was immers door hem uitgelokt tegen het Germaanse, dus hogere ras. Dat was letterlijk de officiële ‘zienswijze’, commentarieert Presser. “Dwaasheid natuurlijk”, oordeelt hij.


Echter, en dat vormt de keerzijde, vele Nederlanders zagen van hun kant die Jood ‘nergens’, zijn aandeel in het verzet gold als vrijwel passief. Eveneens dwaasheid, aldus Presser, al valt het minder moeilijk die te verklaren. Immers de laatste herinnering van deze Nederlanders is veelal de Joodse wegvoering, de aanblik van mannen, vrouwen en kinderen, als vee naar de slachtbank gedreven, “de uitdrukking is gebruikt”.


De tweede stelling van de Amsterdamse historicus klinkt wellicht verrassend: Het verzet van Joden in Nederland heeft relatief dat van niet-Joden overtroffen. Relatief, dus met inachtneming van alle factoren waarbij men bij een vergelijking rekening moet houden, benadrukt Presser. De meest in het oog lopende is het vooroorlogse verschil in kwantiteit tussen de beide groepen (zeventig tot één) die tijdens de bezetting helemaal ten ongunste van de Jood veranderde.


En passant liepen Joden grotere risico’s, al was het alleen door hun uiterlijk en optreden en tevens de zekerheid dat zij, eenmaal gepakt, geen enkele kans hadden op genade. Bovendien, zo onderscheidt Presser, betekende ‘verzet’ voor Joden nog “iets anders” dan voor niet-Joden. De laatsten streden vóór iets, voor de vrijheid, voor het vaderland, voor de menselijke waardigheid. De Joden streden daar ook ook voor, maar tevens tégen iets: tegen de hen als Joden bedreigende biologische vernietiging.


Presser vervolgt dan met een observatie die onze volle aandacht en reflectie verdient: Dít Joodse verzet gebeurde “vanuit posities, die zij zelf niet konden kiezen, tegen de geweldigste en onmeedogendste macht der geschiedenis. Het was onmogelijk. Zij deden het. Het historisch onderzoek wijst uit dat de Joden bij geen enkel soort van Nederlands verzet ontbraken.”


Zo vind je Joden onder de uit Engeland neergelaten parachutisten, idem onder de Engelandvaarders en uitgewekenen naar andere landen. Saillant voorbeeld van deze laatste categorie: een aldus ontsnapte Nederlandse Jood viel de eer te beurt Hitlers opvolger als ‘Führer’, de ‘groot-admiraal’ Dönitz, in Flensburg gevangen te nemen.


Voorafgaand aan deze slotepisode van de oorlog pleegden Joden in bezet Nederland aanslagen op hooggeplaatste collaborateurs, namen zij deel aan overvallen op distributiebureaus, stonden Joden aan het hoofd van sabotageorganisaties, vervalsten zij documenten, schreven en verspreidden zij illegale krantenartikelen en lieten Joodse meisjes het leven als koeriersters.


Na dit overzicht van Joodse verzetsactiviteiten tekent Presser aan: “Van enige honderden hunner zijn de namen bekend, maar van hoevelen weten wij ze niet? Er zijn zoveel hunner gevallen en er is uit de aard der zaak zo weinig schriftelijk vastgelegd, terwijl de overlevenden dikwijls niet willen spreken.”


Schrijnend is de passage die daarop volgt: “En mag men op deze plaats niet, zij het ook heel vluchtig, herinneren aan de tweezijdige, zo men wil ambivalente houding van deze en gene voortreffelijke verzetsstrijder, fel vijand van de bezetter, zijn leven offerend voor het vaderland, ja, niet zelden voor zijn Joodse medeburger en niettemin…. openlijk Jodenhater? Hier moge de psycholoog het laatste woord over spreken.”


Veelzeggend voor de weerbaarheid van Joden tegen het nationaal-socialisme is ook het gegeven dat de eerste actieve Nederlandse ‘knokploegen’ tegen de Duitsers uit Joden bestonden. Maar vooral in zomer van 1942, bij het begin van de deportaties, nam onder de Joden het verzet in sterke mate toe.


Ontroerend is wat Presser noteert over de Joodse Schouwburg, waar de uit hun huizen gesleepte Joden tijdelijk werden samengebracht, alvorens via het kamp Westerbork naar Polen te worden vervoerd: “Dichtbij deze schouwburg bevond zich een crèche. Onder leiding van Walter Süskind, later met zijn gezin in Auschwitz vergast, organiseerde een aantal Joden in samenwerking met anderen de ontsnapping van velen uit de schouwburg, waarbij het onder meer Süskinds taak was de Duitse bewakers ‘eenvoudig’ dronken te voeren; men wist ook een duizendtal kinderen uit de crèche te laten verdwijnen, niet zelden verpakt in rugzakken of in dozen; moeders, geregistreerd met zuigelingen, gingen soms met poppen door de controle om de verdwijning van hun kleinen te verbergen. Deze moeders moesten sterven, de kinderen konden het overleven.”


De Joodse onderduikers (circa 30.000) laat Presser in zijn betoog buiten beschouwing, echter niet zonder de vermelding dat “verzet niet zelden de belangrijkste drijfveer vormde”.


Ten slotte noemt de historicus “het verhaal van de kampen in Polen”. Misschien, zo reflecteert hij, begon de opperste, uiterste weerstand pas hier: “Natuurlijk bij die kleine minderheid die, waardoor of waarom ook, niet dadelijk na aankomst als ongedierte is verdelgd. Hoe kon de mens daarginds rechtop blijven staan, normen in acht nemen, waarden onaangetast handhaven, in een leven van vervuiling, mishandeling, ziekte, honger, eenzaamheid, temidden van de ergste ontmenselijking? Het kon niet. En toch deden enkelen het, in Auschwitz, in Treblinka, in Maidanek, in Sobibor, in die fabrieken des doods, mannen en vrouwen, toch, toch, tóch.”


Helden? Heldinnen? Zij waren het, eindigt Presser zijn meeslepende analyse, die ruim vijftig jaar oud stellig een degelijk historisch fundament biedt om de meest recente publicaties over het verzet van Joden in Nederland 1940-1945 naar waarde te schatten.


Bas Belder, historicus





















195 keer bekeken0 reacties