israelnieuws israelnieuws
 
  • Bas Belder

“Opeens hadden we zulke toffe meubels… uit Holland”


Joden worden gedeporteerd. Screenshot YouTube


Joods leven en ook Joods eigendom golden in Duitsland na 1945 minder dan dat van de Duitse meerderheidsbevolking. De droeve constatering van de Duits-Joodse jurist en financieel expert Achim Doerfer. Ter illustratie enkele historische voorbeelden van “geen financiële compensatie” ofwel “Nicht-Wiedergutmachung”.


Niet zonder ironie schrijft Doerfer in zijn messcherpe boek “Irgendjemand musste die Täter ja bestrafen” (Iemand moet toch de daders bestraffen): “We moeten ook over geld spreken. Omdat dat in de context van herinnering onderwerp van antisemitische legendevorming is. En omdat we hier bij de juridische afwerking een stevige, kwantificeerbare lakmoestest hebben: voor het vermogen van de Duitse politiek verantwoordelijkheid te erkennen en de consequenties daaruit te trekken.”


Hoe deze lakmoestest uiteindelijk uitviel volgens de Göttinger advocaat? Ronduit negatief. Dat bleek ook al uit een peiling van 1952 in de Bondsrepubliek. Slechts een fractie van de Duitsers was zeven jaar na de oorlog eigenlijk bereid de Joden een schadeloosstelling toe te kennen. In cijfers uitgedrukt, gaf 5% aan zich te schuldig te voelen aan de Shoa, 29% was voor financiële restitutie en circa twee vijfde van de ondervraagden meende dat alleen de daders moesten betalen. Zo’n 21% hield zelfs de Joden deels zelf verantwoordelijk voor wat hen was overkomen.


Tegen de achtergrond van deze donkere cijfers plaatst Achim Doerfer het gesprek dat het magazine van de Süddeutsche Zeitung in 2017 voerde met Bettina Göring, de achternicht van top nazi Hermann Göring. Geheel onbevangen liet Bettina haar gedachten de vrije loop. Opmerkelijk, want eerder had zij zich beslist kritisch geuit over haar familieverleden.


Echter, in genoemd interview was daarvan niets te meer bespeuren. Op de vraag wanneer de moeder van haar vader bij hen was ingetrokken, klonk uit Bettina’s mond: “1967, opeens hadden wij zulke toffe meubels. Ik herinner me nog een Vlaamse kast met zeker 150 verschillende houtsnijfiguren. Hermann had mijn grootmoeder Ilse in de oorlog een hele wagonlading uit Holland per spoor doen toekomen. Dat heb ik pas later uitgevonden. Wij zijn als de roofridders, heeft vader mij eens als kind heel trots verteld. Dat vond hij dus goed.”


En Bettina ging rustig verder: “Een schrijftafel is er echter nog altijd. Ik weet wat ik daarmee aan moet. Een Lodewijk de Veertiende. Die is absoluut uit de een of andere wagon gekomen. Mijn moeder heeft het bureau wit gelakt.”


Uit “de een of andere goederenwagon”, ja, zo kan men het ook zeggen, commentarieert Achim Doerfer. “In elk geval stamden de zaken uit leveringen uit de Nederlanden tijdens de oorlog. Men hoeft slechts één en één op te tellen om het helder te kunnen benoemen: De “toffe meubels” werden met de hoogste waarschijnlijkheid geroofd van vermoorde Joden en Jodinnen.”


Het interview met Bettina Göring toont “de omvang van morele verwaarlozing” aan, aldus Doerfer, en ook “waartoe een verstarde herinneringscultuur leidt”. Een cultuur die “de Jood” als slachtoffer en foto in het geschiedenisboek tientallen jaren lang heeft ontmenselijkt. Bettina Göring meldt dat zij haar vader en grootmoeder heeft vergeven. Kanttekening van Doerfer: “Maar met welke legitimatie, zij was toch niet hun slachtoffer?”


Even kritisch laakt Doerfer het feit dat de interviewer van Bettina Göring, de journalist van de Süddeutsche Zeitung, geef navraag deed over de herkomst van “die toffe meubels”. “Niet”, zo sluit de Duitse jurist af, “bij Nederlandse Joden en Jodinnen; er zou wel een naambordje van Anne Frank op de schrijftafel in de Lodewijk de XIV-stijl hebben moeten kleven om spontaan en tenminste onbewust te begrijpen dat deze zaken echte mensen toebehoorden.”


Stappen we van dit “kleine beeld” over naar het “grote beeld”, dan is sprake van een confronterende tegenstelling tussen de betalingen aan de Joodse gemeenschap na 1945 en de tot 1945 door de nazi’s buitgemaakte sommen op Joden en Jodinnen, stelt Doerfer. Daar zijn allereerst de miljarden die profiteurs toevloeiden vanwege de “Arisierung” van Joodse bedrijven en ander Joods eigendom. Vervolgens komen de 7 miljard Reichsmark die Duitse Joden bij hun emigratie moesten achterlaten. Voeg daaraan toe 1,2 miljard Reichsmark voor “Sühneleistungen” (boetebetalingen) na de Novemberpogrom van 1938 alsook de ingehouden verzekeringsuitkeringen voor de schade aan Joods eigendom tengevolge van pogroms.


Op grond van zorgvuldige en uitgebreide berekeningen komt vermogensexpert Achim Doerfer tot de harde slotsom dat niet meer dan 10 procent van de geschatte financieel-economische schade aan Joodse zijde na de oorlog aan herstelbetalingen naar de staat Israël vloeide en naar individuele Joodse slachtoffers.


Keren we van het “grote beeld” weer terug naar het “kleine”, wat betekende die beruchte Novemberpogrom van 1938 voor de individuele Joodse slachtoffers naast het primaire menselijke leed in financieel opzicht?


Van Carl Hecht weten wij het: “Van mijn afgeperste huis, dat wil zeggen van de koopprijs die gewoon lachwekkend was, zag ik nooit één penning. Desondanks bleven na aftrek van alle kosten nog circa 5000 Reichsmark over. Op dit bedrag legde de staat beslag als ‘Judenabgabe’.”


Een andere getuige, lees Joods slachtoffer, Karl. E. Schwabe herinnerde zich dat op de morgen van 10 november 1938 twee stedelijke ambtenaren bij zijn woning opdoken met een pandbeslag ter hoogte van 7000 Mark. Waarvoor eigenlijk? Voor het herstel van “in de volkstoorn” verwoeste winkelramen.


En Georg Abraham berichtte dat de plaatselijke partijleiding de zoon van een vermoorde ondernemer, wiens pand en waren ter waarde van 70.000 Mark in de as waren gelegd, een rekening presenteerde van 46,50 Reichsmark, voor de daarbij gebruikte benzine…


De econome en historica Helen B. Junz maakt de volgende “typische rekening voor Duitsland” (Doerfer) op: bij een vermogen van 100 raakte een Jood in de nazi-tijd er 97 tot 98 van kwijt – 20 als “Sühneabgabe” (boetebetaling), 25 voor “Reichsfluchtsteuer” (rijksbelasting voor emigratie), 5 als bijdrage voor een fonds voor de emigratie van noodlijdende Joden en Jodinnen plus 2 tot 5 voor andere belastingen, waarna de resterende 45 tot 50 tegen een wisselkoers van 6% naar het buitenland zouden worden overgemaakt. Kortom, 2 tot 3 Mark resteerden.


Nog een concreet voorbeeld over de ongehoorde plundering van Joodse vermogen, die overigens al geruime tijd voor 9 november 1938 (de pogromsnacht) volop aan de gang was: de schrijver, advocaat en notaris Martin Beradt (1881-1949) kreeg te horen dat hij zijn zorgvuldig gespaarde praktijkvermogen van 300.000 Mark allemaal van de Duitsers had gestolen. Hem werd de verdere uitoefening van zijn beroep verboden en met 3 procent van zijn vermogen kwam hij er eigenlijk nog te goed vanaf in de optiek van zijn nazi-belagers.


Over de ontrechting en ontmenselijking van Joden en Jodinnen beklemtoonde de Franse geschiedkundige Léon Poliakov: “De beroving van de Joden was totaal: men profiteerde van de goederen van de Joden, van hun arbeidskracht, hun kennis. Men dreef de verfijning van deze beroving zover door tot op het benutten van de herbruikbare bestanddelen van hun vleselijk omhulsel: vetten of fosfaten.” De Shoa/Holocaust.


Natuurlijk waren de schadeloosstellingen beter dan niets, erkent jurist Doerfer. De “Wiedergutmachung” kwam zijns inziens echter meer neer op een “ontoereikende genadegebaar” van Duitse zijde dan op een “wenselijke overeenkomst tussen gelijken”. Het herstel van Joden en Jodinnen in hun materiële en politieke rechten zou door de jaren heen op de Duitse agenda hebben moeten staan. “In plaats daarvan werd over aan Israël uit te keren geldbedragen gediscuteerd, terwijl de miljoenen profiteurs het zich gezellig maakten in hun onderkomens en ondernemingen met het tafelzilver van de vermoorden.”


Bas Belder, historicus



243 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven
 
israelnieuws