• Joop Soesan

Turks antisemitisme: vechten tegen de bierkaai?! , vraagt historicus Bas Belder zich af


Ter illustratie. Screenshot YouTube


“Turkije is in zijn geschiedenis nooit antisemitisch geweest.” Omineuze woorden van president Erdogan, gepleegd tijdens een rede op Amerikaans grondgebied in 2014.


Het citaat is ontleend aan een nieuwe studiebijdrage van een kenner bij uitstek van Turkse Jodenhaat in verleden en heden, Rifat Bali, recent verschenen onder de titel “Antisemitism in Turkey: A New Phenomenon or More of the Same”.


Met Erdogans rooskleurige nationale geschiedt versie heeft onderzoeker en ervaringsdeskundige Bali bitter weinig op: “Antisemitisme heeft in Turkije bestaan vanaf de stichting van de Republiek in 1923 tot op vandaag. Ongeacht welke partij aan de macht was of welke politieke visie domineerde, de Turks-Joodse bevolking zag zich altijd geconfronteerd met discriminatie. Op velerlei wijze werden Turkse Joden als tweederangs burgers behandeld.”


Zwaartepunt van Bali’s nieuwe analyse ligt bij de vraag: Is het antisemitisme in Turkije onder Erdogan en diens partij, de AKP, toegenomen? In de internationale pers klinkt dat bijkans als een retorische vraag. Genoeg reden voor Bali om deze negatieve beeldvorming met de feiten te vergelijken.


Hij komt dan eerst uit bij de grondlegger van de politieke islam in Turkije, Necmettin Erbakan. Bepaald geen marginale politieke speler als voormalig minister, vice-premier en premier. En een verklaarde antisemiet! Binnen de gelederen van Erbakans beweging van de “Nieuwe Visie” deed Erdogan zijn eerste politieke ervaring op alvorens in 2001 medestichter te zijn van de AKP (Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling).


Veelzeggend is dat Erbakan bij zijn overlijden in 2011 een officiële staatsbegrafenis kreeg, ongeacht diens “letterlijk duizenden antisemitische uitlatingen”, merkt Bali op. Tientallen lovende in memoriams verschenen over Erbakan, maar geen woord over zijn obsessieve Jodenhaat. Vandaag de dag draagt de universiteit van Konya zelfs zijn naam. “Geen persoon van aanzien heeft het gewaagd de stichter van de Turkse politieke islam als een “antisemiet” te karakteriseren; het was gemakkelijker om dat simpel te negeren”, aldus Rifat Bali.


De onderzoeker/publicist en uitgever uit Istanbul beschouwt Erdogan echter niet als “eenvoudig een jongere versie van Erbakan”. Erbakan en consorten waren rotsvast overtuigd van een “Joodse Wereldoverheersing” en zagen achter elke, in hun ogen negatieve ontwikkeling “een Joodse hand”. Erdogans vijandigheid jegens de Joden was niet zo obsessief, maar veel politiek pragmatischer.


Desalniettemin constateert Bali eerlijk dat na verloop van tijd Erdogans speeches over zionisme, Joden en Israël steeds meer een antisemitische toon aansloegen, een antisemitische tint vertonen. Ook al beweerde de Turkse president in 2014 tijdens de al geciteerde rede voor de Council of Foreign Relations in Washington niet zonder enige pretentie: “Ik ben één van de eerste premiers ter wereld die het antisemitisme tot een misdaad tegen de menselijkheid hebben genoemd.”


Bij dezelfde gelegenheid deed Erdogan nog dit masker af: “Het is niet antisemitisch een regering te bekritiseren voor het vermoorden van onschuldige baby's en kinderen in huizen, moskeeën, ziekenhuizen, scholen, stranden en parken zonder enig verschil. Onze kritiek richt zich helemaal niet tegen de Joden. Zij is enkel en alleen gericht tegen de Israëlische regering en haar beleid. Laat niemand dat verdraaien.” Laat die Israëlische regering nu Joods zijn…


En passant omringde en omringt de zelfbenoemde niet-antisemiet Erdogan zich met duidelijk antisemitisch ingestelde journalisten en schrijvers, nodigt deze uit voor informele persoonlijke gesprekken in zijn presidentiële paleis en kent deze verklaarde Jodenhaters ook presidentiële ereprijzen toe.


Voor Rifat Bali rest slechts één heldere conclusie: “Dankzij de overweldigende parlementaire meerderheid van de AKP en haar ogenschijnlijk onaantastbare politieke machtspositie uiten kranten columnisten, die pro-AKP zijn, hun antisemitische denkbeelden openlijker.”


Toch beantwoordt Bali de claim dat het “antisemitisme sinds Erdogans aan de macht komen, gegroeid is” niet ronduit bevestigend. Hij vindt die claim deels valide, deels niet. Het is zeker waar, erkent Bali, dat in vergelijking met eerdere perioden het aantal antisemitische publicaties en publieke uitspraken is toegenomen. Echter, de hoofdoorzaak daarvan is Turkijes intrede in het digitale tijdperk. “Antisemitisme was zelfs wijdverbreid voor deze nieuwe periode, maar zijn zichtbaarheid is gegroeid met de verbrede toegang online, tot het internet.” Ieder kan daar zijn of haar mening ventileren. “Door het internet komt nu glashelder naar voren dat antisemitisme de keiharde kern vormt van islamitisch en nationalistisch gedachtegoed in Turkije”, observeert Bali.


Jaren van AKP-heerschappij hebben haar grote islamitische basis, waar een atmosfeer heerst van vijandschap jegens zowel Israël als de Joden, een arrogante zelfverzekerdheid verschaft. Met als resultaat dat haar schrijvers, journalisten en opinieleiders hun denkbeelden zonder aarzeling en ongeremd uitdragen.


Alles bij elkaar genomen, zo besluit Rifat Bali, is het wijdverbreide en diepgewortelde antisemitisme binnen een beduidend deel van de Turkse samenleving geen nieuw verschijnsel. Het was even alomtegenwoordig in vroegere tijden, maar in het pre-digitale tijdperk was het niet zo vlug kennelijk. “Nu is echter een kwaadaardig en ernstig antisemitisme routine geworden, zo gewoon dat het zelfs geen reactie meer ontlokt. Of uit vrees, vermoeidheid of simpel apathie, niemand schijnt het verschijnsel te willen bestrijden of een moreel standpunt te willen innemen.”


Valt er dan helemaal niets te doen tegen het vigerende antisemitisme in Turkije? Rifat Bali gaat deze prangende vraag na zijn weinig opbeurende situatieschets zeker niet uit de weg. Dat levert wel meteen een ontnuchterende constatering van zijn kant op: “Voor alles, is het noodzakelijk een fundamentele realiteit te benadrukken. Het Turkse publiek en establishment beschouwt het bestaan van antisemitisme niet als een probleem dat moet worden opgelost.”

Met inachtneming van deze harde werkelijkheid rijst dan vervolgens de vraag: hoe bereik je publieke bewustwording van het serieuze probleem van het antisemitisme? Van een breed gedragen actieplan of campagne verwacht Bali weinig goeds. Hij vreest veeleer ernstige gevolgen voor Turkse Joden, voor gewelddadige represailles uit extreem islamistische hoek.


Heel deprimerend klinkt ook Bali’s waarschuwing dat zo’n strijdplan tegen het antisemitisme “waarschijnlijk geen vrucht zal dragen zo lang als zogenaamd “objectieve” kritiek op het “Zionisme” en “Israël” –beide bezitten een sterke negatieve, bijna demonische lading voor een aanzienlijk deel van het Turkse publiek- een centrale plaats blijven innemen in het antisemitische narratief binnen het land. Dat komt door de consensus in bijna elk deel van de Turkse maatschappij dat de staat Israël een “terreurstaat” is die bezig is met het “koloniseren” van moslims en Arabisch grondgebied.”


Elke strategie van Joodse activisten of opinieleiders in Turkije om de retoriek tegen Israël en het zionisme te bestrijden, is gedoemd tot mislukken, oordeelt de insider verder. Zelfs welgezinde niet-Joodse burgerorganisaties, activisten en journalisten zullen het prefereren stil aan de zijlijn te staan vanwege de gerechtvaardigde vrees dat ze als “zionisten” of “Israel lovers” worden bestempeld. Etiketten die in Turkije je reputatie onherstelbaar kunnen beschadigen en vandaar ook je carrière.


Uiteindelijk moeten we realistisch zijn, stelt Rifat Bali. “De leiders van Turkijes slinkende Joodse gemeenschap willen geen actieve strijd voeren tegen het antisemitisme, want dat zou waarschijnlijk, zoals zij terecht geloven, geen verbetering in hun situatie brengen, maar, integendeel, die veel slechter kunnen maken.” Daarenboven heeft de Turks-Joodse gemeenschap nog nooit officieel geprotesteerd tegen wijdverspreide antisemitische publicaties en statements. “Integendeel”, voegt Bali er veelbetekenend aan toe.


Voor hem blijft er slechts één optie over: beschouw het Turkse antisemitisme als een intellectueel probleem en bevecht dat via de media in de hoop dat zo eventueel voldoende druk komt te staan op de politieke leiders van het land om tot actie over te gaan.


Die reductie van het Turkse antisemitisme tot “een intellectueel probleem” weerspreekt evenwel Bali’s glasheldere beschrijving en analyse van deze Jodenhaat als een algeheel maatschappelijk probleem. Een “intellectuele benadering” van Turkse islamisten en nationalisten klinkt als een innerlijke tegenstrijdigheid, kortom kansloos.


En toch, en toch klinken er moedige, hoopgevende tegenstemmen in de schier onveranderbare Turkse antisemitische atmosfeer, nog wel van Turks-Joodse zijde. Zo hield eind 2018 de columnist Mois Gabay zijn landgenoten een spiegel voor in het Turks-Joodse weekblad Salom: “Wat te doen met het gegeven dat zowel open als verborgen antisemitisme deel uitmaken van het dagelijks leven in Turkije, terwijl een ontwaken over Israël en de Joden opgang maakt in veel merendeels moslimlanden?”


Zijn advies aan leden van de Turks-Joodse gemeenschap: leg werkelijk dagelijks contacten met je buren om die persoonlijk de ogen open te laten gaan voor Israël en de Joden. Wat zou de hele Turkse samenleving daarmee gebaat zijn, zo ook de relaties Turkije-Israël!


Bas Belder, historicus












100 keer bekeken0 reacties