'Haags Archief' - een column van Rob Fransman
- Rob Fransman
- 3 uur geleden
- 3 minuten om te lezen

In 2012 schreef ik een verhaal over hoe ik in 1963 Gerhard Stroink leerde kennen. Stroink was confectie-inkoper voor het Rotterdamse bedrijf Bertels. Ik was vertegenwoordiger bij een bedrijf dat textiel verkocht en Bertels was een goede klant.
In 1963 was ik 23 jaar. In mijn autootje (Fiat 1100) zijn Stroink en ik verschillende keren naar Duitsland gereden. Ook bezocht ik hem vaak op zijn kantoor in Rotterdam-Zuid. Vaak sloten we de koop af met een lunch in een Italiaans restaurantje, ongeveer waar nu het bekende hotel New York staat. In 2012, bijna vijftig jaar ouder, kwam ik er door een toeval achter dat ik zaken had gedaan met een ter dood veroordeelde SS-er. Mijn verhaal kreeg enige publiciteit en staat nog steeds op Historiek. Wie geïnteresseerd is kan het hier lezen.
Sindsdien was ik meer dan gewoon nieuwsgierig naar waarom die man eerst ter dood was veroordeeld en waarom die straf al heel snel werd veranderd in levenslang en die straf nogmaals werd teruggebracht tot twintig jaar. Zelfs dat was een farce: in 1951 liep de ter dood veroordeelde alweer vrij rond. De dossiers waren heel lang geheim, zelfs de na de oorlog geboren zoons kregen geen inzage. In 2025 werden de beperkingen opgeheven, zo goed als alles was gedigitaliseerd en het internet bracht uitkomst.
Nee dus. De nabestaanden van de collaborateurs maakten bezwaar. De meesten zullen toch minstens zeventig jaar en ouder zijn maar ze vreesden de gevolgen als iedereen zo maar in het verleden van hun ouders kon bekijken. Privacy en zo. Dus werd er een systeem opgetuigd dat alleen de ambtenarij kon verzinnen. Online mocht ik het Nationaal Archief vertellen in wiens dossier ik interesse had. Daarna kon ik op afspraak het in Den Haag komen bekijken. Niet zomaar.
Na strenge instructie – geen jas, geen pet, geen balpoint, geen vulpotlood, geen potlood met een gummetje, geen telefoon, geen tas – kreeg ik een doos overhandigd. En een gepunt potlood. Ik moest aan tafel plaatsnemen, onder nauwlettend toezicht van het alom aanwezige personeel. Toen ik mijn laptop openklapte kwamen twee mensen tegelijk aanrennen om de camera af te plakken.
Tot mijn verwondering was de doos gevuld met allerhande dossiers van mij volstrekt onbekende mensen. Voor zover de heilige privacy. Zo zat er in ‘mijn’ doos een enorme stapel papier over de foute burgemeester van Weesp. Maar het dossier van Stroink bestond slechts uit één dun, aan twee kanten getypt velletje. Het vonnis: een enorm lang verhaal vol juridische termen voor landverraad en aan het eind stond handgeschreven Doodstraf. Dat was alles.
Dat kon niet waar zijn. Was het ook niet. Na enig aandringen bleek er nog een vuistdik dossier te zijn. Daar zat werkelijk van alles in. Reçu’s voor een ontvangen uniform, laarzen (!), een vergunning om in burger een wapen te dragen, verplaatsingsorders, medische dossiers - letterlijk alles uit het misdadige leven van die man. Zijn zelfgeschreven uit 30 pagina’s bestaande gratieverzoek vond ik interessant. Hij was toch eigenlijk een goed vaderlander geweest en had dapper tegen het bolsjewisme gevochten. Als ik rechter geweest was had ik Stroink alleen voor dat larmoyante lulverhaal dubbele doodstaf gegeven.
Eerlijk gezegd vond ik het na een tijdje niet meer interessant. Tot ik op een handgeschreven briefje van koningin Juliana stuitte. Hare majesteit behaagde het om Stroinks doodstraf om te zetten in twintig jaar gevangenisstraf. Dat was onwerkelijk.
Nu ik toch ook andere dossiers had, verdiepte ik me in dat van Weesps burgemeester. De ongelofelijke pietluttigheid walmt uit het vergeelde papier. Het kleinzielige verraad is bijna lachwekkend is in zijn alledaagsheid. Zo verplichtte de burgemeester de plaatselijke kleuterschool om de dag te beginnen met een lofzang op de NSB. Verder vond ik legio briefjes van nette mensen die het beste met de samenleving voorhadden. De burgemeester werd gevraagd eens te kijken naar familie X want die kocht wel erg veel brood. Een ander briefje vermeldde dat er waarschijnlijk nog Joden woonden op een zeker adres. “Houzee Burgemeester!” Opvallend: al die briefjes barstten van de spelfouten.
Na drie uurtjes in oude papieren rommelen had ik er meer dan genoeg van. Voor historicus ben ik niet in de wieg gelegd. Van al dat vergeelde papier had ik vettige handen. Vreemd: zelfs na grondig wassen ging dat vieze gevoel niet weg. Net zomin als de nare smaak in mijn mond.
Gelukkig maakte mijn afspraak om een broodje te gaan eten met een goede Haagse vriend veel goed. In het winkelcentrum Babylon schreeuwden palliewappies hun hun gebruikelijke leuzen. Goed verstaan kon ik ze binnen niet, vooral die meisjes met groen haar hebben van die schelle stemmen. Ik maakte ervan uit dat ze niet zo van zionisten houden. Het winkelende publiek keek er niet van op.
Buiten scheen de zon.
PS: Ik heb de foto nog. Deze Fiat.





Opmerkingen