'In depot' - column van Rob Fransman
- Rob Fransman
- 2 uur geleden
- 3 minuten om te lezen

In het huis van mijn ouders hing een schilderij van Caravaggio aan de muur. Naast dat schilderij hing een onbekend werk van Leonardo da Vinci. Dat was in de salon. In de eetkamer hing een vroege Rembrandt en nog een paar minder beroemde Hollandse meesters.
In het huis van mijn ouders hing een schilderij van Caravaggio aan
de muur. Naast dat schilderij hing een onbekend werk van Leonardo
da Vinci. Dat was in de salon. In de eetkamer hing een vroege
Rembrandt en nog een paar minder beroemde Hollandse meesters.
Op het dressoir stond een koperen afgietsel van De Denker van
Rodin.
Maar ze hadden niet alleen maar een klassieke smaak. Mijn vader
zag al vroeg het belang van Picasso en Matisse en kocht hun werk.
Mijn moeder kocht voor Pesach ieder jaar een gouden Fabergé-ei. Op
een gegeven moment had ze een kast vol. De familie werd er gek
van. ‘Waar moet je met al die rommel?’ vroegen ze haar.
Grapje uiteraard.
In werkelijkheid heb ik geen idee of mijn ouders iets van kunst afwisten en of ze ooit iets van
waarde hebben gekocht. Ik heb precies één stukje dat afkomstig is uit mijn ouderlijk huis. Dat
is een Japans beeldje. Dat kreeg ik in 1985 van ons vroegere dienstmeisje. Ze had het
tweeënveertig jaar voor me bewaard.
Na de oorlog waren er nog maar een paar mensen die me hadden kunnen vertellen hoe het er bij mij thuis uitzag. In de eerste jaren was ik daar natuurlijk totaal niet nieuwsgierig naar. En
later vroeg ik er ook niet naar. In mijn omgeving werd niet gevraagd omdat je wist dat het
antwoord te pijnlijk was. Als ik toch iets vroeg was het antwoord ontwijkend en afstandelijk.
Iets over bewaren. En over – wat ik nog steeds een meesterlijke woordspeling vind –
bewariërs. Jammer. Tja, er was zoveel jammer.
Ik kom hierop omdat er ineens nogal wat te doen over geroofde kunst.
Musea tonen wegens ruimtegebrek altijd maar een deel van hun collectie. De rest ligt in depots. Vaak is wat je niet ziet minstens zo interessant als wat er wel hangt. Zie het succes van het depot van Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.
In Amersfoort is ook een depot. Daar komt niemand. Althans bijna niemand. In een
zwaarbeveiligde opslag liggen duizenden schilderijen, meubels, serviezen en andere
voorwerpen die door de nazi’s zijn geroofd.
Gemakshalve noemde de regering de verzamelde kunst RCE. Dat staat voor Cultureel
Erfgoed. Wie dat geërfd heeft werd er niet bij gezegd maar o.a. het Rijksmuseum en het
Mauritshuis eigenden zich alvast de belangrijkste stukken toe. Zonder enige vermelding waar
die vandaan kwamen. Waarom zou daar niet wat van mij tussen kunnen zitten?
Er is een commissie onder leiding van Lodewijk Asscher die uitzoekt wat er met al die kunst gedaan moet worden. Waarom juist hij die commissie moet leiden is onduidelijk. Misschien heeft men in Den Haag gedacht: ‘die Asscher is Joods en heel integer.’ Waarbij ik dan weer denk dat het onveranderlijk enigszins uitgerangeerde politici zijn die voor dit soort baantjes worden gevraagd. Mij vraagt niemand iets.
Enfin, Lodewijk bezocht het depot en vond het er kil en klinisch. Wie de eigenaren van al dat moois ooit waren is niet meer na te gaan. Daarom is het advies om het terug te geven aan de Joodse Gemeenschap. Hoe? Door er een museum van te maken. Dan weer die tegenwoordig onvermijdelijke verbinding. Asscher ziet ruimte voor confronterende vormen: ‘Laat een theatermaker de collectie verbinden met de actualiteit. Dan blijft het levend.’
De griezels lopen mij over de grazzels als ik dit lees. Dank je de koekoek dat er niet meer is na te gaan van wie de spullen waren. Diverse regeringen hebben er tachtig jaar over gedaan om dat onmogelijk te maken.
Zoals te verwachten was, kwam er meteen na het advies bonje in de kehilla. Heerlijk, met ruzie in de tent hoeft er niets te gebeuren. Ik voorspel dat het depot in Amersfoort nog decennia in functie blijft.
Hierboven schreef ik dat mij niets werd gevraagd. Natuurlijk niet, ook ik zou absoluut niet weten wat er zou moeten gebeuren. Maar een en ander maakt een onbestemde nostalgie bij me los. Dat Japanse beeldje was vooroorlogse, heel gewone semi-kitsch en te koop bij iedere toenmalige Blokker-winkel. Maar het roept bij mij wel weer de vraag op waar ik altijd mee worstel. Hoe zag het er bij ons thuis uit in mijn kleuterjaren? Wat voor kleur had de bank, hingen er schilderijen aan de muur en lag er een Perzisch vloerkleed?
Ach, laat maar.





Opmerkingen