'Voordat ik het vergeet' - column Rob Fransman

Voorthuizen 1944
Ik besloot dat ik maar eens mijn vroegste herinneringen moest opschrijven. Wat ik beschrijf gebeurde meer dan tachtig jaar geleden. Het kan best zijn dat het anders was dan ik nu opschrijf. Maar dit is wat er in mijn geheugen hangen bleef. Flarden van een lang verleden. Heel veel is verdwenen en weet ik gewoon niet meer. Maar wat ik nog wel weet schrijf ik nu op. Gewoon voor mezelf en ik deel het op substack. Waarom? Nou ja, voor wie het interesseert. En vooral, voordat ik het vergeet.
Het is koud in dat grote huis maar in de keuken brandt er altijd een vuurtje in het gigantische fornuis. Daar is het iets warmer. Daarom zitten we meestal daar. De grote jongens leren me schrijven, ze hebben toch niets anders te doen. Dat gaat best goed, mijn eigen naam lukt al, in grote blokletters: Wimpie Bezemer. Dan waarschuwt iemand. Weg! De moffen komen.
We zien de groene vrachtauto op de dijk, aan de andere kant van de boomgaard. We hebben een paar minuten. De jongens helpen mevrouw om het fornuis opzij te schuiven, eronder is een luik. Vlug kruipen we in het gat. Als we plat op onze buik liggen passen we er precies met ons vieren in. We horen dat tante het fornuis weer op zijn plaats schuift. Precies op tijd. Even later horen we harde Duitse stemmen boven ons en tante die boos zegt dat er hier geen onderduikers zijn. Ik weet dat ik heel stil moet zijn maar ik moet hoesten. Sttt! Ik voel de hand van de jongen naast me op mijn mond. Sttt! We horen dat de soldaten kastdeuren opentrekken. Dan horen we ze op de trap naar de slaapkamers. Ze vinden gelukkig niets en gaan weg. Wij moeten nog even blijven liggen. Ze kunnen terugkomen.
Een paar maanden later
Om het huis ligt een boomgaard maar ik mag daar niet spelen. De grote jongens wel, maar alleen als het donker is. Het huis ligt nogal afgelegen maar aan de dijk verderop staan wel een paar huizen. Je weet maar nooit. Op een dag komen vliegtuigen vrij laag over ons huis. Ik zie de propellers draaien! Eerst tien vliegtuigen, dan twintig, dan nog meer. Oom zegt dat de Tommies op weg zijn naar het Ruhrgebied om de moffen een lesje te leren. We horen knallen en zien pofjes in de lucht. ‘Luchtafweer,’ zegt oom. De vliegtuigen gooien lange repen zilverpapier naar beneden. ‘Dat is om de radar te misleiden,’ zegt Oom. Ik weet niet wat radar is. Ook niet wat misleiden is trouwens, ik ben nog maar vier jaar. Dan wordt het stil. De tuin ligt bezaaid met zilverpapier. Ik mag naar buiten om het op te rapen. Speelgoed!
Bilthoven 1945
Ik mag weer in de tuin spelen. Ik ben nu enig kind in huis, de grote jongens zijn weg. Oom en tante zijn er nog wel maar ze willen ook weg. ‘Terug naar de theeplantage in ons Indië.’ Op een dag komen er een meneer en een grote jongen me halen. De meneer zegt dat hij mijn oom is, mijn oom Sal. De grote jongen is mijn broer Lou. Alweer een oom, ik heb er al zoveel gehad. ‘Maar ik ben echt je oom,’ zegt de meneer, ‘en dit is echt je broer. En je heet geen Wimpie maar Robbie.’ Ik vind alles goed, een broer had ik nog niet eerder.
Ze nemen me mee naar hun huis in Bilthoven. Daar is ook tante Juul en een jongen die ook al Lou heet. Het is nogal verwarrend. Tante Juul vertelt me dat zij en oom Sal nu mijn vader en moeder zijn. Niet mijn echte, die zijn er niet meer, maar net zo goed. Prima, ik weet niet eens dat ik een vader en moeder heb.
Oom Sal en tante Juul wonen nog maar net in het huis in Bilthoven. Ik begrijp dat ze zich ook hebben verschuild. Heel lang, maar anders dan ik op één plek, bij een professor van Doorn in Bilthoven. Maar nu hoeft niemand zich meer te verstoppen en daarom hebben ze het mooie huis vlakbij de spoorbomen gekregen. Dat was van een meneer Hendriks. Die was een NSB’er en heeft het huis toch niet meer nodig want hij zit in de gevangenis.
Raar maar waar: Oom Sal ontdekt in dit huis ook een luik, onder het zeil in de keuken. Ik weet nog precies hoe hij het met enig vertoon openmaakt. Er ligt veel rommel in die kelder maar ook een geweer en een lange rubberstok met een soort kogel eraan. ‘Een ploertendoder,’ zegt mijn oom. En er ligt een heuse autoped. Een rode, op rubberbanden! Ik mag er meteen mee buiten spelen. Hij is eigenlijk wat te groot voor zo’n klein jongetje. Bij de spoorbomen spelen een paar veel grotere jongens. Een van hen heeft een zak kersen. Die heb ik nog nooit gezien. Prachtige grote donkerrode vruchten. ‘Wil je er een?’ vraagt de jongen. Zoiets lekkers heb ik nog nooit geproefd! ‘Ruilen?’ vraagt hij. ‘Als je mij je autoped geeft krijg je de hele zak.’ Dat lijkt me een goede deal. Als ik met de zak thuiskom wordt oom Sal heel erg boos op me.
Dat zal hij later nog heel vaak zijn.
Wordt nog wel eens vervolgd.





Opmerkingen