Wil Parijs z”l Zichrono livracha (zijn nagedachtenis is ons ter ere) - bijzondere column van Rob Fransman
- Rob Fransman
- 1 uur geleden
- 3 minuten om te lezen

Toen in Maart “Onze Verhalen” werd gepresenteerd wist de schrijver al dat hij ernstig ziek was. Kort daarvoor had Wil het mij verteld. In februari voelde hij zich niet zo lekker en was wat moe, dus ging hij maar eens naar de dokter. ‘Weinig aan de hand,’ dacht hij zelf. Hij dacht verkeerd, Wil kreeg het alarmerende bericht dat hij getroffen was door kanker, reeds behoorlijk uitgezaaid. Die avond belde hij. Normaal als ik zijn naam op het schermpje zag, werd ik alvast blij, want Wil had altijd iets leuks te vertellen. Soms dolden we elkaar wat, of we schepten op over onze onwaarschijnlijk lage golfscores. ‘Jammer dat je er nou net niet bij was toen ik een eagle (2 onder par) maakte.’
Maar dit keer was het anders. ‘Ik heb een klote mededeling,’ zei Wil, ‘ik heb kanker.’
Wat zeg je op zo’n moment? Ik stamelde wat over optimisme en hoe knap de dokters tegenwoordig zijn en meer nietszeggende onzin. Omdat ik geen woorden kon bedenken die werkelijk betekenis hadden. Toch was Wil optimistisch. Hij ging samen met de specialisten een traject in, eerst pillen, dan chemo en dan zou het allemaal wel meevallen.
Het viel om de sodemieter niet mee. De chemo sloeg niet aan, meer uitzaaiingen, heel veel pijn. In nauwelijks vier maanden veranderde mijn levenslustige vriend in een hele zieke man. Hij behield zijn humor, dat wel, god-zij-dank. We belden regelmatig met elkaar, dan beurde hij mij op! En nog maar vier weken geleden gingen we voor de laatste keer golfen. En ook toen moesten we weer lachen omdat ik voor de duizend miljoenste keer, op exact dezelfde plek, mijn bal in het meertje van de elfde hole sloeg. Wil was wel heel erg moe. Na het rondje, bij het drankje op het terras wisten we allebei dat dit de laatste keer was geweest, al vermeden we het onderwerp zorgvuldig.
De lovende woorden die ik in Maart over hem schreef, herhaal ik hier. Alleen – zo jammer, zo helaas – in de verleden tijd.
Wil was een aarts-verteller. Hij was boekverkoper van zijn vak maar al een tijdje gepensioneerd. Hij verkocht boeken, maar belangrijker was dat hij ze las. Alles wat hij las, onthield hij en hij kon daar ongelofelijk boeiend over vertellen. Dat kon de imitatie van een
cabaretier zijn die hij op YouTube vond, een film waarvan hij woordelijk de dialoog nog wist
of een boek dat hij las. Of twintig jaar geleden las. Maar het liefst sprak hij over wat hij op
zondagmorgen aan de kinderen vertelde. Die kinderen waren de leerlingen van zes t/m dertien jaar op het zondagmorgenonderwijs van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam. ‘De traditie is belangrijk,’ zei Wil, ‘van generatie op generatie, weet je wel. Niemand hoeft van mij te geloven, dat doe ik zelf ook niet, maar als ik die verhalen vertel moeten mijn leerlingen wel plezier hebben.’ Hij bundelde zijn lessen in een boek en noemde het: “Onze Verhalen”.
Vandaag hebben we Wil begraven. Mijn vriend, het broertje dat ik me had gewenst.
Een lewaja, zoals een Joodse begrafenis wordt genoemd. Alles naar onze gewoonten waarvan Wil, ondanks dat hij heel goed wist dat het “maar een ritueel was”, toch veel waarde hechtte.
Wil’s lieve vrouw Rivka, zijn kinderen en zijn kleinkinderen blijven achter. Wat zullen ze hem missen.
Net als ik.
Lieve Wil, gabber, maatje, broertje, wat hebben we veel gelachen. Nu huil ik. Zichroncha livracha. זכרונך לברכה. Moge jouw nagedachtenis ons tot zegen zijn.





Opmerkingen