top of page

'Onthutst' - column Rob Fransman

Rob Fransman
1 uur geleden
5 minuten om te lezen

Het Haagse Achterhuis kennen maar weinig mensen. Toch heeft het een minstens zo beladen historie als het schuiladres van Anne Frank. In maart 1943 dachten 24 Joodse Nederlanders een voorlopige schuilplaats gevonden te hebben in de piepkleine woning van Mies Walbeehm op de tweede etage van Reinkenstraat 19. Mies was een zeer moedige jonge vrouw met een gouden hart die geen nee kon en wilde zeggen. Honderden onderduikers vonden een schuilplaats in haar woning.


Nooit lang, maar lang genoeg om een min of meer permanentere schuilplaats te vinden. Het ging maanden goed, tot het fout ging. Na verraad van Friedrich Weinreb werden de laatste onderduikers bij een razzia gearresteerd. Na een vreselijke week in de Scheveningse gevangenis werden ze doorgestuurd naar Westerbork en vandaar met de eerste trein naar Sobibor. Onnodig te vermelden dat niemand daarvan terugkwam. Onder de laatste 24 onderduikers waren mijn ouders, Izak en Rachel. Cor Speksnijder heeft een boek geschreven over de gebeurtenissen in de Reinkenstraat en dat was weer aanleiding tot een zeer indrukwekkende podcast, gemaakt door Marlies Vernooi en Richard Grootbod. Op het pand is begin van deze eeuw een gedenkplaat aangebracht en vorig jaar is die aangevuld met een koperen plaat met de namen van alle vermoorden.


Weinreb heeft een smerige rol gespeeld in het verraad van de Reinkenstraat. Maar de grootste ellendeling was toch wel ene Fritz Koch, SS-Hauptscharführer en hoofd van de SD in Den Haag. Over wat hij en zijn beulen precies deden, wil ik niet schrijven. Genoeg moet zijn dat hij, net zoals zijn collega’s, de Vier van Breda, tot levenslang veroordeeld had moeten worden. Maar uiteindelijk kreeg hij slechts tien jaar. Uiteraard werd hij al na zeven jaar vrijgelaten. Dat ging zo in die dagen.


Tot zover.


Bij het aanbrengen van de gedenkplaat in 2002 waren mijn broer en ik niet aanwezig. Niemand van het organiserende comité had de moeite gedaan om te checken of er misschien nog kinderen van de onderduikers leefden. Pas een paar jaar geleden, min of meer door toeval, werd ik gewaar wat daar in 1943 is gebeurd. Maar sinds ik dat weet, bezoek ik de jaarlijkse kleine herdenking daar. Zo was ik vorig jaar ook aanwezig toen het gedenkteken werd aangevuld met de plaat met alle namen. Ik maakte toen kennis met twee aardige dames: Almuth Salentein en Ute Sterr. Jawel, de kleindochters van Fritz Koch.


Beiden zijn lang na de oorlog geboren. Hun ouders waren in de oorlog nog kleuters. Maar na de oorlog moeten zij geweten hebben van het verleden van Fritz Koch. Tegenover hun dochters werd er gezwegen. “Opa moest na de oorlog nog even in Holland blijven.” Meer wisten de meisjes niet. Vragen stelden ze niet, waarom zouden ze? Fritz kreeg na zijn terugkeer een baan bij de politie, daarvoor was hij tenslotte opgeleid. Hij bracht het tot commissaris en stierf rond 1970. Oma leefde nog jaren door. Toen zij ook was overleden, waren er geen familieleden meer die het zwarte verleden nog kenden. Ook haar kinderen, de ouders van Almuth en Ute, leefden niet meer. De kleinkinderen, inmiddels volwassen vrouwen met eigen carrières en gezinnen, haalden het huis leeg. Een koffer met oude documenten werd niet weggegooid, die kreeg op zolder een plaatsje. Er kwam een dag dat die oude rommel toch eens moest worden weggegooid. De koffer bleek een doos van Pandora. Daar kwamen de foto’s van opa in zijn zwarte SS-uniform en hoera-pet. Zijn officiersverleden, zijn nazi-onderscheidingen, zelfs zijn vonnis. De dochters waren meer dan ontsteld. Dat kon toch niet waar zijn? Ze herinnerden zich Fritz als een lieve opa die zo leuk sprookjes kon vertellen en de kinderen aan het schaterlachen maakte met zijn goochelkunsten.


Anders dan veel mensen gedaan zouden hebben, keken ze niet weg. Integendeel, als hun grootvader een schurk was, wilden ze ook uitzoeken hoe groot zijn schuld was. Ze deden onderzoek, spraken met nog levende kinderen van getuigen en bezochten concentratiekampen. Zo kwamen ze uiteindelijk ook in Den Haag, waar opa zo’n prominente rol had gespeeld in de Jodenvervolging. Met schroom kwamen ze in 2023 naar de herdenking in de Reinkenstraat. Ze werden verwelkomd door rabbijn Soetendorp. Pas toen werd hun verteld dat er nog levende kinderen waren van opa’s slachtoffers. Ze lieten, heel bedeesd (ik heb er geen ander woord voor), weten dat ze graag met mij in gesprek wilden. Ik wees het af. Waarom zou ik voor hun schuldgevoel slapeloze nachten willen hebben?


Ik schreef een net briefje dat ik hun goede bedoelingen zeer waardeerde, maar dat ik geen speciale afspraak met hen wilde maken. Echter, mochten ze bij een herdenking aanwezig zijn en we elkaar ontmoeten, dan had ik geen enkel bezwaar. Vorig jaar, bij de onthulling van de naamplaat, was het zover. Het mondde uit in een aardig maar enigszins afstandelijk gesprek.


Wat viel er nog te zeggen? Ze vertelden dat ze een boek over hun grootvader schreven. Geen excuus, absoluut niet, maar een zoektocht naar hoe iemand zo slecht kon zijn. Hoe was dat gekomen, wat was de verklaring? Ze hadden mijn boek over het Demjanjuk-proces gelezen en daarin ook de foto’s van mijn ouders gezien. Mochten ze over de geschiedenis van mijn ouders schrijven en mochten ze de foto’s gebruiken? Dat mocht.


Vorige week ontving ik het boek, Unsere Grossvater und Auschwitz. Ik heb het enigszins oppervlakkig gelezen. Ik had ChatGPT nogal eens nodig voor de vertaling, het is af en toe moeilijk Duits. Maar vooral: ik weet het nu wel. Uiteraard las ik wat er geschreven was over de Reinkenstraat en over mijn ouders met meer dan gewone belangstelling. Eer wie eer toekomt. Het boek is geen apologie van hun grootvader. Absoluut niet, ze pakken hem hard aan, geen misdaad blijft verborgen.


Ik schrijf dit hele verhaal omdat ik in het boek van Almuth en Ute zoveel las dat ook vandaag herkenbaar is. Iedereen weet hoe het begon. De chaos die begon in 1929, het schorem dat de straat veroverde, de machteloze politie (gedeeltelijk zelf fout), in ieder geval tandeloos, justitie die niet ingreep, politici die alleen maar praatten om hun machteloosheid te verbergen. Komt bekend voor, toch?


Vorig weekend was er een demonstratie voor Hamas en Hezbollah. “Hup Hamas,” stond op de spandoeken. De politie greep niet in. De burgemeester deed niks. De minister was voor de zoveelste keer onthutst. Jetten, de man die door de machteloze politiek tot premier is benoemd, hield zijn goed onderhouden tanden stijf op elkaar.


Toch was er een reactie. De moedige man met het bordje FUCK HAMAS moest het van de collaboratiepolitie opbergen. Deed hij het niet, dan zou hij worden gearresteerd. Het roept de vraag op: is de Fritz Koch van vandaag al onder ons?

 





































































































 
 
 

Opmerkingen


Met PayPal doneren
bottom of page